De sociale ecologie van Murray Bookchin


door Johny Lenaerts

Murray Bookchin (1921-2006) is een Amerikaans pionier van de sociale
ecologie. Hij was een van de eerste denkers die de sociale en politieke
dimensie in de ecologie integreerde en die de ecologie opvatte als een
hefboom in de antikapitalistische strijd. Hij werkte een nieuw model van
maatschappelijke organisatie uit waarin burgerparticipatie en gemeentelijk
zelfbeheer centraal staan. Hij zag hierin een belangrijke rol weggelegd voor
buurtvergaderingen en wijkraden.

De vrije, mondige burger
Murray Bookchin (1921-2006) was nog een erfgenaam van de vooroorlogse
communistische arbeidersbeweging, maar had in het begin van de jaren
1950 vastgesteld dat zowel het communisme als de arbeidersbeweging hun
beste tijd achter zich hadden. In de jaren 1960 en 1970 was hij getuige van
de opkomst van de ecologische en feministische beweging, van
burgerinitiatieven en buurtcomités – door hem ‘community movements’
genoemd -, die op eclatante wijze het zwijgen doorbroken dat op de
ondergang van het socialisme gevolgd was. In de tegencultuur – met de
idealen van een leven in gemeenschap, van vrije menselijke verhoudingen,
van liefde, seksuele vrijheid, zinnelijk genot in kledij en omgang – zag hij
een utopisch denken in de beste betekenis van het woord. Zelf had hij met
zijn geschriften over ecologie en anarchisme in de jaren 1960 aan deze
opleving van de contestatiebeweging bijgedragen.
Centraal staat bij hem de problematiek van hiërarchie en heerschappij. In
zijn opvatting gaat de ecologie ervan uit dat de oorsprong van de
heerschappij van de mens over de natuur berust op de heerschappij van de
mens over de mens. Het feminisme gaat nog verder en stelt dat de
heerschappij van de mens over de mens voortspruit uit de heerschappij van
de man over de vrouw. Op een gelijkaardige manier verklaren de
community-bewegingen dat er een nieuw type burger dient tot ontwikkeling
te komen – de vrije, mondige burger – om sociale bevoogding door
zelfbeschikking te vervangen; dat de burgers zich in nieuwe institutionele vormen zouden moeten verenigen, zoals bijvoorbeeld in volksassemblees,
om het heersende staatsapparaat te bekampen. In overeenstemming met hun
eigen logica stellen volgens Bookchin al deze bewegingen niet enkel de
klassenstructuur maar vooral de hiërarchie, niet enkel de materiële
uitbuiting maar de heerschappij in al zijn vormen ter discussie.
Hiërarchische structuren werken tot in de intiemste domeinen van het
maatschappelijke en persoonlijke leven door. Volgens Boochin liggen de
problemen die ze opwerpen en die in essentie niet veel met de
klassenproblematiek te maken hebben, buiten het enge kader van de
socialistische en de arbeidersbeweging. Om de logica van de ecologische,
de feministische en de community-beweging in hun volle omvang te
verbreden, dienen we bijgevolg onze opvatting van vrijheid in verregaande
mate uit te breiden voorbij de voorstellingen die we vroeger met dit begrip
verbonden hebben.


Eenheid van mens en natuur
Tegenover de reeds duizenden jaren heersende kloof tussen mens en natuur
stelt Bookchin dat we een nieuwe eenheid tussen het maatschappelijke en
het natuurlijke moeten vinden om te behouden wat in de loop van de
geschiedenis van maatschappij en natuur bereikt werd. De reële
geschiedenis van de mensheid (die door Marx tegenover de irrationele
‘voorgeschiedenis’ als voorloper van de communistische toekomst geplaatst
wordt) moet opnieuw met de natuurgeschiedenis in verbinding gebracht
worden. De scheiding van de mens met de natuur, haar enorme
ontwikkeling in een geschiedenis die een reusachtige rijkdom aan geest,
persoonlijkheid, technische kennis, cultuur en zelfreflectie produceerde,
betekent het geestelijk potentieel in de natuur zelf, de geest als latente
substantie, die tot bewustzijn komt in een mensheid die zich met de
natuurlijke wereld vermengt.
Het is volgens Bookchin tijd dat een ecologische natuurfilosofie zich op
basis van vrijheid en bewustzijn met een ecologische maatschappijfilosofie
verbindt, een doel dat sinds de tijd van de presocratici in onze westerse
filosofie rondwaart. Ongetwijfeld, zo stelt hij, staan de praktische
implicaties van deze doelstelling op de eerste plaats. Wanneer we de ecologische catastrofe willen overwinnen, dan moeten we decentraliseren,
opnieuw de bioregionale vormen van de productie en van de teelt van
voedingsmiddelen invoeren, onze technologieën gedifferentieerder
ontwikkelen, ze weer op menselijke maat brengen en overzichtelijke
democratische vormen creëren. Voor Bookchin ligt evenwel de betekenis
van alternatieve technologieën niet enkel in hun economische bruikbaarheid
of in het hergebruik van de energiebronnen; veel meer wordt hij gedreven
door de voorstelling dat deze technologieën een hernieuwd contact van de
mens met de grond, met de dier- en plantenwereld, met de zon en de wind
mogelijk maken, kortom: dat ze tot een nieuwe sensibiliteit voor de gehele
biosfeer zouden leiden.
Bookchin zegt gefascineerd te zijn door de capaciteit van het individu om
zich met de werkingswijzen van deze nieuwe technologieën vertrouwd te
maken, zodat de persoonlijkheid met een nieuw gevoel van zelfzekerheid en
autonomie tegenover de materiële aspecten van het bestaan verrijkt wordt.
Daarom pleit hij voor de invoering van zonnepanelen, windturbines,
organische tuinbouw en dergelijke meer. Bovendien vindt hij de kwestie van
decentralisering niet enkel belangrijk omdat ze een betere invoering van de
nieuwe technologieën garandeert en beter geschikt is voor bioregionaal
gebruik; hij ziet in decentralisering veeleer een mogelijkheid dat de lokale
leefgemeenschappen en het individu weer macht over hun eigen
aangelegenheden krijgen en dat de libertaire voorstelling van vrijheid als
een systeem van directe democratie een authentieke betekenis krijgt.
Volgens Bookchin is ‘small’ niet enkel ‘beautiful’ – het heeft ook een
ecologische, menselijke en vooral emancipatorische dimensie.


Holistische benaderingswijze
In de ecologie (zoals Bookchin die opvat) komen oeroude
wensvoorstellingen van het ‘goede leven’ en de daadwerkelijke
stootrichting van de geschiedenis nader tot elkaar. Hij herinnert ons aan de
beruchte slogan van de Franse studenten in 1968: ‘Wees realistisch – doe
het onmogelijke.’ Bookchin voegt daar iets aan toe: ‘Wanneer we niet het
onmogelijke tot stand brengen, dan zal het ondenkbare zich voordoen.’ De utopie, die in de pre-industriële maatschappij nauwelijks méér was dan een droom, wordt met de verdergaande ontwikkeling van de moderne technologie tot een reële mogelijkheid. Bookchin is ertoe geneigd te zeggen dat ze een noodzaak geworden is – indien we de gevolgen van een totaal irrationeel geworden maatschappij, die elk leven op de planeet bedreigt, willen overleven.
Vooral wil Bookchin benadrukken dat hij in de verwerkelijking van een
alomvattende eenheid van mens en natuur enkel één aspect van de
menselijke aspiraties ziet, namelijk alle scheidingen te overwinnen waarop
de hiërarchie sedert eeuwen berust: de scheiding tussen het ‘rijk van de
noodzaak’ en het ‘rijk van de vrijheid’, tussen arbeid en spel, stad en
platteland, lichaam en geest, man en vrouw, jong en oud, tussen etnische
groepen en naties. De holistische benaderingswijze waar hij voor pleit leidt
naar een onderzoek van de problemen van de community in hun stedelijke
vorm en van het zelfbeheer. Bookchin behandelt bijgevolg niet enkel het
thema ecologie maar ook stadsplanning en urbane toekomstperspectieven.
Volgens hem is de crisis van de grootstad een uitdrukking van de
vernietigende kapitalistische ingreep op de samenhang van maatschappij en
natuur.
Zoals eerder gezegd, staat bij hem de problematiek van hiërarchie en
heerschappij centraal. Dat is volgens hem het eigenlijke ‘maatschappelijk
probleem’ als het om de toekomst van de mensheid gaat – en dat moet
volgens hem duidelijk gescheiden worden van het zuiver economische
probleem van klassenverbondenheid en uitbuiting van de arbeid. Het
maatschappelijk ‘probleemveld’ heeft volgens hem zijn centrum niet in het
conflict tussen loonarbeid en kapitaal in de fabriek; men vindt het evenzeer
in de tegenstellingen tussen de ouderdomsgroepen en de geslachten in het
gezin, in de hiërarchische onderwijsvormen in de scholen, in de
machtsaanspraak van de stedelijke bureaucraten en in de etnische
scheidingen in de maatschappij. Uiteindelijk vallen deze problemen te
verklaren uit de hiërarchische opvatting van bevel en gehoorzaamheid,
waarvan de oorsprong in het gezin te vinden is en die enkel hun meest
opvallende maatschappelijke vorm in de fabriek, de bureaucratie of het leger
vindt. Deze problemen bestonden al voordat het kapitalisme ontstond. Dit
wil niet zeggen dat Bookchin een klassenanalyse zou uitsluiten. De klassenanalyse ligt bij hem ingebed in de analyse van de hiërarchische maatschappijstructuren.


Gemeentelijk zelfbeheer
Bookchin pleit ervoor het hiërarchische denken te vervangen door een
ecologisch denken. Hij pleit voor een revolutionaire reconstructie van alle
maatschappelijke verhoudingen en instellingen, voor de creatie van een
volkomen nieuw economisch systeem, waarin het niet louter om de
‘democratie op de werkplaats’ gaat maar om een esthetisering van de
menselijke creatieve kracht, de opheffing van hiërarchie en heerschappij in
alle domeinen van het persoonlijke en het maatschappelijke leven, en de
reïntegratie van sociale en natuurlijke gemeenschappen in een gezamenlijk
ecosysteem.
Waar kan dit project verwerkelijkt worden? Beslist niet in de huidige
arbeidsplaats, stelt Bookchin, of het nu in de fabriek of in het kantoor is. In
de fabrieken van de VS heerst volgens hem een absolute stilte, terwijl in de
steden, vooral in de getto’s en in bepaalde andere stadswijken, dat geenszins
het geval is. De Amerikaanse arbeiders zijn momenteel gemakkelijker te
bereiken als buur en burger en ze staan in die hoedanigheid ook veel meer
open voor nieuwe ideeën dan in de fabriek als loonarbeider. De
hoedanigheid van de arbeider als vrouw of als man, als vader of moeder, als
stadsbewoner, als een jongere of een oudere, als een slachtoffer van de
milieuvervuiling, als een dromer (de lijst is schier eindeloos) treedt volgens
Bookchin meer en meer op de voorgrond.
Net zoals de gecentraliseerde staat momenteel synoniem is voor de
nationale staat, zo is de maatschappij volgens Bookchin in toenemende mate
identiek met lokale community. In een wereld waarin de staat en de
economie meer en meer gecentraliseerd en met elkaar vervlochten worden,
betekent de roep naar wedertoe-eigening van gemeenschap, autonomie en
directe democratie een vorm van verzet tegen de groeiende staatsautoriteit.
Volgens Bookchin kan bijgevolg gemeentelijk zelfbeheer gemakkelijk tot
uitgangspunt voor een constellatie van maatschappelijke instellingen worden, die een brede basis hebben, direct democratische en werkelijk
volkse instellingen zijn, en die vanuit hun aard in directe oppositie
tegenover de alles doordringende staatsinstellingen staan. Bookchin twijfelt
er niet aan dat in het gemeentelijk zelfbeheer een potentieel voor een
libertair radicalisme schuilt. Ze vormt het kader voor directe sociale relaties,
voor een democratie op persoonlijke basis en voor een goed buurtleven.
Bookchin geeft toe dat op zich de gemeente als maatschappelijke kracht
vrijwel hulpeloos is. Daarenboven blijft ze, in de mate dat ze de politieke
instellingen van de staat in stand houdt, niet enkel een maatschappelijk
weinig actieve eenheid, maar een staat in miniatuurvorm. Maar, zo werpt
Bookchin op, in de mate waarin lokale controle de vorm van vrije
volksassemblees aanneemt, in de mate waarin zelfhulp de municipalisering
van de grondstoffen betekent, en uiteindelijk in de mate waarin de
administratieve coördinatie van de gemeenschappelijke aangelegenheden
door afgevaardigden en niet door ‘vertegenwoordigers’ geschiedt – in die
mate houden de gemeenten op staatsinstellingen te zijn. Bookchin droomt
van een confederatie van zulke gemeenten als uitgangspunt voor een
authentieke volksbeweging die zou leiden naar het geleidelijk afsterven van
de staat. Tegen zijn anarchistische achterban stelt Bookchin nadrukkelijk:
‘Stadspolitiek is er niet a priori toe veroordeeld staatspolitiek te worden.’

  • Verder lezen? Murray Bookchin, ‘Sociale ecologie en politiek’, Utrecht:
    Kelderuitgeverij, 2018.
%d bloggers liken dit: