SIMONE WEIL, PIONIER VAN DE DEGROWTH

Deze vertaalde tekst van de hand van Charles Jacquier uit 2017 verscheen oorspronkelijk in het Frans.

Simone Weil op 12-jarige leeftijd

‘Het werk van Simone Weil is actueler dan ooit,’ bloklettert de NRC in haar boekenbijlage van 16 november 2018 naar aanleiding van de publicatie van ‘Onderdrukking en Vrijheid. Filosofische en politieke geschriften’ bij Kelderuitgeverij, Utrecht. ‘Haar werk ademt iets groots en toont een vurige toewijding aan het denken, maar is niet makkelijk te karakteriseren. Weil geeft altijd net iets anders dan wat je zoekt.’ – Waarover gaat het?

Het lang verwachte moment is aangebroken waarin de ontwikkeling van het kapitalisme op het punt staat halt te moeten houden voor onoverkomelijke grenzen. Hoe men het fenomeen van de accumulatie ook wil interpreteren, het is duidelijk dat het kapitalisme in essentie economische expansie betekent en dat de kapitalistische expansie niet ver meer verwijderd is van het moment waarin ze in botsing zal komen met de grenzen van de aarde.’

(La Révolution prolétarienne, augustus 1933)

In 1934 ving Simone Weil (1909-1943) haar essay Over de Oorzaken van Vrijheid en Maatschappelijke Onderdrukking aan met de volgende regels: ‘De huidige tijd is een van die periodes waarin alles wat gewoonlijk het leven een zin geeft, verloren gaat en waarin we, om niet tot vertwijfeling of verblinding te vervallen, alles ter discussie moeten stellen.’ Wanneer men de belangrijkste geschriften van Simone Weil zeven of acht decennia nà hun ontwerp leest of herleest, in een crisisperiode waarin vele ernstige commentators de toekomst steeds meer op een sombere wijze bekijken – als ze er nog een toekomst aan toeschrijven –, dan kan iedereen vaststellen dat ze op elke bladzijde de indruk wekt dat ze het voor ons geschreven heeft. Want de citaten die we hier aangehaald hebben vereisen geen commentaar om de aanwezigheid van Simone Weil in een boek over denkers van de degrowth te verantwoorden. Ze nodigen dus uit gelezen te worden in de geest van de omstandigheden waarin ze geschreven werden en in de politieke cultuur waar de auteur toe behoorde.

Simone Weil nam deel aan de politieke cultuur van het extreemlinks van de jaren 1930 rond twee tijdschriften: La Révolution prolétarienne van de syndicalist Pierre Monatte en La Critique sociale van de dissidente communist Boris Souvarine. Op de eerste plaats was ze een syndicaliste die het syndicalisme niet opvatte als het beheer van de arbeidskracht maar als een project van sociale rechtvaardigheid via arbeidersautonomie. Maar in het zicht van de consolidatie van het stalinisme, van de overwinning van het nazisme en van het falen van een arbeidersbeweging die aan de wagen van de overheid gespannen werd, maakte ze er al spoedig een kritische balans van op. Volgens haar mocht de waarheid, wat het ook moge kosten, zich niet ‘oppeppen met valse beloftes’, volgens de woorden van Sophocles die ze boven haar artikel Perspectief (1933) geplaatst had.

Voor Simone Weil betekende het socialisme ‘de economische soevereiniteit van de arbeiders en niet van de bureaucratische en militaire staatsmachine’. Terwijl de mythe van de Sovjet-Unie als ‘gerealiseerd socialisme’ op een zesde van het aardoppervlak zich duurzaam in de geesten leek geworteld te hebben en veel valse hoop kristalliseerde, begreep ze zeer snel dat de Sovjet-Unie geen socialistisch systeem was maar een nieuwe vorm van een onderdrukkende maatschappij betekende: een bureaucratisch staatscollectivisme. Simone Weil was van mening dat het doel besloten lag in de middelen om er toe te komen; daaruit vloeide voort dat een maatschappij als de Sovjet-Unie geen einde zou maken aan de economische uitbuiting en de politieke onderdrukking, zelfs niet hen zou beteugelen, maar hen daarentegen zou versterken op een nieuwe manier, waarbij de vrouwen en de mannen onderworpen werden aan een toekomstige en hypothetische ‘opbouw van het socialisme’… En dat dit – met de uitvoering van vijfjarenplannen – op de eerste plaats een sterk doorgedreven industrialisering gebaseerd op het brutale geweld van een dictatoriaal systeem zou betekenen. Daar zou logischerwijs de onderwerping van de arbeiders aan het stakhanovisme uit voortvloeien – een stalinistisch gekleurd taylorisme zonder syndicale tegenmacht – en een vernietiging van de natuur dat met de vernieling van reusachtige natuurlijke milieus maar al te dikwijls een verbijsterende omvang zou aannemen.

Simone Weil was eveneens van mening dat de arbeidersbeweging van haar tijd niet veel meer te maken had met de idealen en praktijken van de Eerste Internationale en van het syndicalisme van directe actie van vóór 1914. De Eerste Wereldoorlog betekende immers ‘het bankroet van de organisatie van de proletarische massa’s op het politieke en syndicale terrein binnen het kader van het systeem’. Een mislukking waar dan nog eens de machtsovername van Hitler op 30 januari 1933 bovenop kwam, ‘wellicht nog erger dan die van 4 augustus 1914’. De syndicale organisaties waren enkel maar bezorgd om geldkwesties en hadden hun idealen van gerechtigheid en emancipatie opgegeven; Simone Weil was evenwel nog steeds van mening dat ‘de zwakke restanten’ van de oorspronkelijke syndicalistische geest ‘vonken’ waren ‘waarop men dringend moest blazen’.

Simone Weil bracht ook twee essentiële ideeën aan die zowel toen als nu vernieuwend zijn. Met betrekking tot de crisis van het kapitalisme die toen om zich heen sloeg beperkte ze zich niet tot de klassieke analyses die er een haast automatische overgang naar een nieuwe samenleving in zagen. Enerzijds stelde ze bitter vast dat er ondanks de omvang van de crisis er geen enkele reële socialistische kracht meer bestond in de betekenis die zij daaraan toeschreef, om het kapitalisme in een bevrijdende richting op te volgen, maar dat daarentegen de meeste bestaande partijen die zich op het socialisme beriepen het van elke waarachtig emancipatorische inhoud beroofd hadden. Anderzijds was ze beïnvloed door de geschriften van de Oostenrijkse marxist Julius Dickmann, van wie La Critique sociale een studie gepubliceerd had met als titel ‘De ware limiet van de kapitalistische productie’. Hij vroeg zich daarin af of de natuur een ‘objectieve limiet’ voor de ‘onbegrensde groei’ van de productiekrachten betekende. ‘In zijn huidige fase,’ schreef hij, ‘wordt het kapitalisme geenszins gekenmerkt door belemmeringen die het door zijn bestaan zelf aan de ontwikkeling van de productiekrachten oplegt; maar door het feit van de ongebreidelde groei van de productiekrachten en door geen rekening te houden met hun permanente reproductie, heeft het kapitalisme daadwerkelijk de bestaansvoorwaarden van de menselijke soort kleiner gemaakt.’

Een andere mythe moest haar radicale kritiek ontgelden: die van de revolutie. Aanvankelijk was ze zeer aan dit idee gehecht maar al snel zou ze zich vragen beginnen stellen over wat het kon betekenen bij degenen die er zich op beriepen en er een haast magische term van maakten. Ze merkte ook dat dit idee in de schoot van de revolutionaire minderheden die zij frequenteerde maar al te dikwijls tegengestelde opvattingen dekte. In de discussies van de Cercle communiste démocratique verzette ze zich tegen de ideeën van Georges Bataille en ze benadrukte dat de revolutie ‘voor hem de overwinning van het irrationele en voor mij de overwinning van het rationele [betekent];voor hem is het een catastrofe, voor mij een geplande actie waarin men zich dient in te spannen om de schade te beperken; voor hem betekent het de bevrijding van de instincten, en vooral dié welke gewoonlijk als pathologisch beschouwd worden, voor mij betekent het een hogere moraal.’ En ze voegde eraan toe: ‘Hoe in eenzelfde revolutionaire organisatie samenwerken als je aan weerskanten onder revolutie tegengestelde dingen verstaat?’

Kortom, Simone Weil stelt ons in staat komaf te maken met de opbeurende mythes die tot vervelens toe herkauwd worden door een uitgebluste linkerzijde: nee, de Sovjet-Unie was geen socialisme; nee, de sociaaldemocratie is niet in staat voor de grote meerderheid hervormingen door te voeren – enkel de directe actie van de stakers van juni 1936 heeft de sociale vooruitgang waar de regering-Blum prat op gaat, mogelijk gemaakt. Ze verwierp ook het werk van Lenin, het leninisme en al die surrogaten die de beroepsrevolutionair boven de arbeiders plaatsen, omdat de arbeiders volgens hen niet in staat zouden zijn op eigen kracht zich bewust te worden van hun situatie en zich op eigen kracht te bevrijden. Ze verzette zich tegen het partij-fetisjisme en ging zelfs zo ver de ‘algemene afschaffing van de politieke partijen’ voor te stellen. Terwijl sommigen onder de opgelapte kleren van een – dikwijls academisch – ‘radicalisme chic’ ons de allernieuwste versies van het blanquisme, van het jacobinisme, van het leninisme, van het maoïsme, van het insurrectionalisme en van de diverse hersenspinsels van het deconstructionisme blijven voorschotelen, heeft Simone Weil al veel bereikt als ze ons helpt ons daarvan te bevrijden. Men bouwt niets op op een terrein dat vol ligt met puin en afval.

Maar Simone Weil beperkt zich niet tot de kritiek op deze tragisch bedrieglijke illusies; ze trachtte de kritiek van het hedendaagse leven te vernieuwen door dankzij een kritiek van het marxisme gebaseerd op een ‘materialistische kennis- en actiemethode’ een ‘theoretisch ontwerp van een vrije maatschappij’ voor te leggen. Volgens haar ‘evolueert het kapitalistisch systeem ten volle naar de ondergang’ want ‘de middelen van de economische strijd […] zijn bezig de basis van ons economisch leven te ondermijnen’. Ze klaagt ook het ‘naïeve geloof in een grenzeloze economische groei’ en het failliet van de technische vooruitgang aan, waarbij ze zich er duidelijk van bewust is dat er een grens bestaat op een punt ‘vanaf waar de vooruitgang zich moet transformeren tot een factor van economische achteruitgang’. En ze herinnert haar lezers eraan dat de oude Grieken Nemesis aanriepen, de godin die ‘de mateloosheid bestrafte’. Met betrekking tot de energiekwestie schrijft ze: ‘Hopen dat de ontwikkeling van de wetenschap op een bepaalde dag zal leiden tot […] de ontdekking van een energiebron die haast onmiddellijk kan gebruikt worden voor alle menselijke behoeften, dat staat gelijk aan dromen’. Nadat ze de belangrijkste kenmerken van de moderne economie aangehaald heeft (vergroting van de bedrijven, uitbreiding van de handel), benadrukt ze dat ‘vanuit al deze opzichten de vooruitgang momenteel op een haast mathematische wijze tot regressie getransformeerd wordt’.

Men zal begrepen hebben dat Simone Weil ons in staat stelt komaf te maken met de religie van de vooruitgang, met het staatsdenken, met het centralisme en met het blinde geloof in de wetenschap – zonder daarbij reactionair te worden. Ze stelt ons eveneens in staat om eensgezind een radicale kritiek op de huidige toestand te formuleren zonder daarbij te vervallen in de mythe van de goede maatschappij van de toekomst waarin iedereen met elkaar verzoend is en er geen conflicten meer voorkomen. Volgens haar ‘is de minst slechte maatschappij diegene waarin de gewone mens het vaakst bij zijn handelen moet denken, waarin hij de grootste mogelijkheden heeft om het collectieve leven als geheel te controleren, en waarin hij de grootste onafhankelijkheid bezit’. Achter de schijnbare eenvoud van dit programma kan een – veel grotere – taak ontwaard worden, die volgens Albert Camus in zijn Rede te Stockholm van 1957 erin bestaat ‘te verhinderen dat de wereld ten onder gaat’. Dat is inderdaad de essentiële voorwaarde om ons nog de simpele mogelijkheid van een nieuwe beschaving te kunnen voorstellen.

Uit: ‘Aux origines de la décroissance’, Cédric Biagini e.a. (Red), Paris: L’Échappée, 2017. Vertaling: Johny Lenaerts.

%d bloggers liken dit: