Nieuw traditionalisme in het land van Waas

Dit is een tekst die in 2005 door Rafa Grinfeld, en net voor de dood van de neonazi Bert Eriksson, geschreven werd. Het gaat om een moderne geschiedschrijving van het Waasland, en de invloed daar van extreem-rechts.
Voor deze tekst heeft Rafa Grinfeld toen veel voorbereiding moeten doen. De geschiedenis van het Waasland, een regio in Noord-België die een grote ‘traditionalistische’ vlek vormt tussen de steden Gent en Antwerpen in, is weinig gekend.

Traditie en techniek

Er was heel veel opzoekingswerk nodig, en naargelang ik tijdens de voorbije maanden vorderde in mijn opzoekingswerk, werd het mij duidelijk dat dit een gemis is in de geschiedschrijving over België.
Als regio is het Waasland een dankbaar onderzoeksobject voor het politicologische en sociologische onderzoek naar het waarom van rechts-nationalistisch sukses. In het Waasland is er immers al lang sprake van meer dan duidelijk electoraal sukses voor rechts-nationalische partijen.

Bij traditionalisme is men in grote mate gericht op het in stand houden van traditionele religies of praktijken. Het is dan ook een fenomeen dat in zeer grote mate inherent is aan Vlaams extreem-rechts, islamo-fascisme, 21ste eeuws zionisme,… Het speelt in feite een belangrijke rol bij veel van wat rechts is. Daarnaast heeft het ook voet aan de grond gehouden in landen waar links-autoritaire groepen tijdens de vorige eeuw, gedurende lange tijd, dictatoriale regimes in stand hielden, zoals China en Rusland. Dat deze regimes als links gezien werden heeft alles te maken met hun officiële bombastische retoriek en hun neiging armoede te bekampen.

Bij extreem-rechts komt traditionalisme goed tot uiting in de wens terug te willen keren naar een “gouden verleden” of een “rurale idylle”, die gekenmerkt wordt door conservatisme op het vlak van gender en dagelijkse omgangsvormen binnen het familiale leven of de vrienden- en kennissenkring. Maar het betreft ook een conservatief streven op economisch vlak, waar er op traditionele wijze met technologie omgesprongen wordt. Dit gebeurde vroeger vaak in de vorm van afwijzing, maar sinds technologie steeds meer ingang heeft gevonden in de maatschappij, kan het misschien beter gezien worden als het immoreel of amoreel en ondoordacht blijven omgaan met technologie.
Extreem-rechts is zeker niet anti-technologisch, in haar extreemste varianten heeft het technologie veelvuldig aangewend om haar eigen wensen erdoor te drukken bij oorlogen en terreur. In Vlaanderen is hedendaags extreem-rechts in grote mate pro harde technologie, zoals kernenergie en auto’s, maar verwaarloost het aandacht te hebben voor milieuvriendelijke technologie. Zelfs binnen ecofascistische kringen is er weinig of geen aandacht voor milieuvriendelijke technologie.

Martin Heidegger

In rechtse kringen waar men sceptischer staat tegenover het gebruik van harde technologie, fungeert technologie als zondebok voor maatschappelijke problemen. De grote impact van technologie op het maatschappelijk leven wordt benadrukt om de verantwoordelijkheid van rechts voor bestaande problemen te mimimaliseren. We vinden dit bijvoorbeeld manifest terug in het late werk van Martin Heidegger, de conservatieve denker die ooit nog de Nazi’s heeft gesteund. Heidegger geloofde niet dat de mens in staat was een brug te slaan tussen cultuur en techniek. Tekenend was zijn uitspraak : “Nur ein Gott kann uns noch retten” (alleen een god kan ons nog redden).

Het zou echter verkeerd zijn technofobie te associëren met rechts, het heeft ook ingang gevonden in een “anarchisme dat noch links, noch rechts is”. Bovendien werd er reeds in het Italië van begin 20ste eeuw geestdriftig gereageerd op de nieuwe technologische ontwikkelingen door een groep die zichzelf “de futuristen” noemde. De actie, dynamiek en snelheid die inherent waren aan de nieuwe techniek vervulden deze nieuwe maatschappelijke en culturele beweging van blijdschap.
De Futuristen wilden een toekomst voor Italië die tegemoet kwam aan een aantal economische, staatkundige en culturele aspiraties. Ze gingen in tegen een beweging in Italië die ze associeerden met geestelijk verval, en de nieuwe technologie kon hen helpen academies, musea en oude cultuursteden te vernietigen. Het Futurisme wou zichzelf als een avant-garde kunstbeweging presenteren, maar was in feite veel meer een ideologische, extreem-rechtse propagandastunt.
Marinetti, woordvoerder en vriend van Mussolini, schreef samen met Umberto Boccioni manifesten waarin het “avant-garde karakter” van het Futurisme tot uitdrukking moest komen, door zich te distanciëren van het verleden en zich te richten op “il futuro” (“de toekomst”). Marinetti verheerlijkte geweld, oorlog en patriottisme, vreemd genoeg helemaal niet nieuw in de geschiedenis, maar de Futuristen wilden serieus genomen worden en als hip gezien worden.
De moderniteit kreeg volop aandacht, en haar voortbrengsels moesten geassocieerd worden met maatschappelijke tendenzen die veel meer reactionair dan vernieuwend waren. Het fascisme in Italië maakte in elk geval volop gebruik van de nieuwe technologie om haar nationalistische veroveringszucht te bevredigen.
Ook in Nazi-Duitsland werden er graag oorlogszuchtige techniek, strakke en hoekige lijnen en bolvormige, snelheid oproepende vormen in de kunst geïntegreerd. Techniek werd graag afgebeeld en gebruikt indien het tegemoetkwam aan traditionele rolpatronen, die patriarchaal geweld en overwinningsdrang moesten ondersteunen. Rechtse kunstenaars in Europa prezen boerenleven en heimat, kneuterigheid en nationale trots.

Fascisme beschouw ik min of meer als een vorm van rechts-nationalisme. Alhoewel dit bij islamo-fascisme minder tot uiting komt dan bij andere extreem-rechtse stromingen, is er ook hier soms een streven naar nationale éénheid aanwezig, frappant daarbij is het feit dat dit streven in grote mate gekoppeld is aan homohaat, seksisme en religieuze beleving.
Het concept van de natie is een kunstmatige constructie die in grote mate verband houdt met taal en traditionele landsgrenzen in Europa. In Vlaanderen is het verband met taaléénheid en landsgrenzen niet altijd even duidelijk, vermits “het Vlaams” slecht een samenraapsel is van verschillende dialecten die soms weinig met elkaar gemeen hebben en er ook nooit een Vlaamse staat geweest is. De kunstmatigheid van het concept “Vlaamse natie” is dan ook frappant, en het meegaan in de retoriek rond dit concept meer dan heikel.

Bij de Vlaamse parlementsverkiezingen van vorig jaar had rechts-nationalisme volledig de wind in de zeilen in het Waasland. In kantons als die van Beveren, Sint-Niklaas en Temse haalde het VB rond de dertig procent van de stemmen. In andere Wase kantons scoorde het beter dan gemiddeld, behaalde het ook meer dan een kwart van de stemmen. CD&V-N.VA scoorde bijna even goed als het VB. En ook de VLD kwam redelijk sterk uit de recente stembusgangen in het Wase, in een regio dan nog die weinig liberale traditie heeft, maar waar ultraliberale burgemeesters als die van Lokeren en Kruibeke naar het VB lonken.

Grootstedelijke problematiek? Een regio met veel allochtonen? Zijn er in het Waasland veel rechtse Bekende Vlamingen en beroemde VB’ers? Niets van dat alles, integendeel. Het Land van Waas munt echter wel uit in bekrompenheid en domheid. Dat is altijd zo geweest, en het zal ook niet snel veranderen. De buffer die het Waasland vormt tussen de twee grootste steden van Vlaanderen, Antwerpen en Gent, maakt de regio bovendien aantrekkelijk voor rechtse experimenten en worteling.
De geografische setting maakt het gebied geschikt als uitvalsbasis naar de grootsteden toe. Wie in het Waasland ingeplant geraakt, zal ook gemakkelijker voet aan de grond krijgen in de twee steden die in Vlaanderen het meest in de schijnwerpers staan. Het zou dan ook fout zijn van de linkerzijde om geen aandacht voor dit gebied te hebben. Het fungeert als weinig bevolkt, doch invloedrijk gebied binnen de ‘geopolitieke’ situatie in Vlaanderen.

kerncentrale Doel

Als het over harde technologie gaat, dan is men in het Waasland weinig vooruitstrevend. De hoge stemmenpercentages die partijen halen die voorstander zijn van het behoud van de kerncentrale in Doel en een groeiende Belgische economie (of grote automobiliteit genegen zijn), zeggen genoeg.
Natuurlijk is veelvuldig autogebruik en -bezit in een, naar Noord-Belgische normen, weinig geurbaniseerd gebied als het Waasland begrijpelijk. Toch kunnen we niet om het feit heen dat de gemiddelde Waaslander, net als de modale Westerling, sterk gehecht is aan zijn of haar auto. En dat hij/zij bereid is er de gevaren van een kernramp in het Waasland bij te nemen. Al kunnen we ook niet om het feit heen dat dit alles waarschijnlijk niet zo’n grote rol speelt in het stemgedrag.

De partijen die electoraal goed scoren in het Waasland zijn ook bewegingen die conservatief gedachtegoed in het hart meenemen : van godsdienst, traditionele gezinswaarden en patriarchale stelingnames, tot racisme en autoritaire reacties op crimineel gedrag. Vlaams-nationalisme en katholiek geloof doen het al lang goed in het Waasland. We kunnen het Wase stemgedrag dan ook als nogal traditioneel omschrijven. Dat de regio Antwerpen-Waasland, markteconomisch bekeken, achterop hinkt bij de rest van België, is daar niet vreemd aan. Het Waasland is voor haar jobgelegenheid in grote mate afhankelijk van Antwerpen. Maar in Antwerpen zijn de rijen bij de stempellokalen lang. Proteststemmers komen meestal bij het VB terecht.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er in Sint-Niklaas een Vlaams-nationalistische aanwezigheid in de figuur van August Borms en andere bekende rechtse activisten. Ook één van de voormannen van het Verdinaso (een extreem-rechtse partij onder de leiding van Joris Van Severen), ene Willem Melis, was actief in deze stad. Melis voelde zich aangetrokken tot de ideeën die Joris Van Severen verspreidde en zocht een samenwerking over partijgrenzen heen.
De katholieke partij had in Sint-Niklaas een uitgesproken Vlaamsgezind imago, en behaalde tijdens het interbellum steevast een electorale meerderheid, terwijl ze ook steeds verder naar rechts opschoof. Verenigingen zoals het Davidsfonds of de Vlaamse Oud Strijders waren in de verspreiding van het flamingantisme zeer belangrijk, en stimuleerden de contacten tussen Vlaamsgezinde figuren.

Niet alleen de katholieke partij ontpopte zich voor de Tweede Wereldoorlog als een concurrent voor de extreem-rechtse katholieken en Vlaams-nationalisten, er loerde zelfs gevaar vanuit de ‘linkerzijde’. De “socialistische partij” te Sint-Niklaas had zich eveneens het Vlaams-nationalisme toegeëigend, en werd zo een te duchten concurrent voor de katholieke partij. Beide partijen werden meegesleurd in een dynamiek van verrechtsing en flamingantisme. Daar profiteerde vooral de ‘rechts-socialistische’ Belgische Werkliedenpartij van op electoraal vlak. Maar de meerderheid van de katholieken werd, voor de tweede helft van de jaren dertig aanvatte, nooit doorbroken. Als vrij grote stad drukte Sint-Niklaas een culturele stempel op het Waasland, meer dan Beveren of Lokeren. Beveren was echter zeer reactionair, en ook in Lokeren stond het rechtse katholicisme electoraal en cultureel zeer sterk. Sint-Niklaas en Temse hadden rodere tradities, maar alles wat naar communisme of radicaal-links neigde was in het Waasland helemaal gemarginaliseerd. Zelfs in een grote stad als Sint-Niklaas zou er pas na de Tweede Wereldoorlog een KP opgericht worden. In Beveren haalde een “communistische lijst” voor de Tweede Wereldoorlog eens 21 stemmen, waarna de lijst geruisloos van het toneel verdween.

Zelfs de gematigde BWP kreeg veel tegenkanting, en haalde regelmatig de woede van een groot deel van de Wase bevolking op haar nek. De “socialistische partij” in Sint-Niklaas was nochtans ook zeker niet ongevoelig voor Vlaamse accenten. Het was vooral partijleider August De Block die verantwoordelijk was voor dat relatief Vlaamsgezinde imago van de Sint-Niklase BWP. Op gemeentelijk niveau kon dat verschillen van het nationale, op dat niveau was het flamingantisme minder invloedrijk.
In Sint-Niklaas kon men echter spreken van een socialistisch flamingantisme met De Block als bezieler. Net als Camille Huysmans beschouwde De Block de Vlaamse kwestie als een sociale kwestie. Zo gaf De Block bijvoorbeeld een “marxistische” invulling aan de Guldensporenslag.
Anarchisme was met “De Groote Oorlog” van de kaart geveegd in Vlaanderen. Waar het voordien enige, maar zeer beperkte, aantrekkingskracht kende in steden als Mechelen, Gent en Antwerpen, zou het pas in de jaren zestig, in de vorm van o.a. Provo, terug een kleine aantrekkingskracht uitoefenen in de Vlaamse regio.

De electorale situatie in Lokeren werd tijdens het interbellum gekenmerkt door weinig veranderingen. De gematigd-katholieke partij bleef de grootste en machtigste partij in Lokeren. De partij zou ook lang, zelfs tot in 1970, over een meerderheid in de gemeenteraad beschikken.
De liberale partij zou tijdens het interbellum een stuk invloedrijker worden. De liberalen hebben een zekere traditie in de Lokerse gemeentepolitiek. Ze konden toen al, in het kanton Lokeren, gemiddeld rond de 20% binnenrijven tijdens de parlementsverkiezingen, naar Wase normen was dit uitzonderlijk hoog. Ze zaten ook boven het nationale gemiddelde voor de gemeenteraadsverkiezingen. Het hoeft ons dan ook niet de verwonderen dat de liberale VLD, veel later, bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000, bijna de helft van de stemmen in de wacht sleept.
Lokeren had lange tijd niet echt een grote Vlaams-nationalistische traditie. In Beveren en Sint-Niklaas, twee regio’s die een meer typisch Waaslands karakter hadden, was het populairder. Ook vormde de gematigd-katholieke partij in 1938 een kartel met extreem-rechtse, electoraal onbeduidende, Vlaams-nationalisten.

Deze katholieke partij in Lokeren was nochtans niet Vlaamsgezind. De leiding van de partij was in handen van burgemeester Raemdonck en (zijn rechterhand) schepen Henri De Vreese. Beide vertegenwoordigden de Franstalige, conservatieve katholieke vleugel in Lokeren, en vertoonden voor 1938 weinig affiniteit met de Vlaamse Beweging.
De verschuivingen die de parlementaire verkiezing van ’36 had teweeggebracht, vinden we ook terug in Lokeren, zij het veel latenter. De Kommunistische Partij was onbestaande en aan de extreme rechterzijde scoorden Rex en VNV beduidend minder dan in de rest van Vlaanderen.
Toch bestond er een reële bedreiging voor de gematigd rechtse katholieke partij: een dalende aanhang, de mogelijkheid van een vrijzinnige alliantie, de opkomst van het VNV en de nieuwe (Rexistisch getinte) Eenheidslijst. Dat er langs rechterzijde ultrakatholieke krachten bezig waren de invloed van de gematigd katholieke partij te ondermijnen was een fenomeen dat zich in het ganse Waasland voordeed. De krampachtige reactie daarop was de betrachting te komen tot éénheidslijsten. Om de eigen positie te verzekeren en om een vrijzinnig stadsbestuur te vermijden, ging het rechts-katholieke KVV op zoek naar een partner. De meest voor de hand liggende oplossing, althans voor sommigen, zou het extreem-rechtse en Vlaams-nationalistische VNV zijn.
Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 werden gesprekken opgestart. Het grootste deel van de onderhandelingen vonden plaats in het huis van notaris Prosper Thuysbaert. Thuysbaert was betrokken geweest bij de nationale concentratiepogingen van de katholieke partij, en was ook op gemeentelijk vlak een sterk verdediger van de concentratiegedachte, die rechtse en extreem-rechtse krachten bundelde. Het zeer rechtse Concentratieblok zou de verkiezingen ook winnen. En het Rexistisch getinte Eenheidsfront behaalde net geen zetel, maar toch nog een resultaat van meer dan 7%. De verrechtsing in Lokeren was overduidelijk.

Temse was één van de talrijke gemeenten in Vlaanderen die tot aan de Tweede Wereldoorlog bijna altijd onder katholiek bestuur hebben gestaan. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 stond een VNV’er als vijfde op de concentratielijst van gematigde katholieken en het VNV. In Temse werd tijdens de oorlog het volledige schepencollege vervangen, op burgemeester Frans Boel na, die van een ‘uitzonderingsregel’ kon genieten, maar enkele jaren later stierf. Ook in Antwerpen bleef de katholieke burgemeester op post tijdens de oorlog. Leo Delwaide senior zal de geschiedenis ingaan als de Antwerpse burgemeester die zogezegd op het randje van de collaboratie balanceerde, maar er feitelijk overheen ging. Na de oorlog zou hij jarenlang niet meer mogen opkomen bij verkiezingen. Zijn echtgenote mocht dat wel, en behaalde ook een groot electoraal succes in Antwerpen.

Leo Delwaide senior

Tijdens het interbellum waren er in Temse verschillende weekbladen. De twee bekendste waren ongetwijfeld De Schelde, die in 1940 zou verdwijnen, en De Gazet van Temse. Alhoewel beide kranten in het begin onpartijdigheid nastreefden, hadden ze toch een verschillende ‘politieke’ kleur. De Gazet van Temse is één van de oudste weekbladen in Vlaanderen en ook één van de weekbladen die het langst is verschenen, bijna honderd jaar lang. Het blad was uitgesproken katholiek, maar was minder het katholiek extremisme gezind dan De Schelde.
De Schelde evolueerde met de tijd naar een meer extreme Vlaams-nationalistische strekking. Zo ijverde het blad voor een “vrij Vlaanderen in een vrij België”. In Temse stond tijdens het interbellum ook het Davidsfonds zeer sterk. Deze vereniging diende als ontmoetingsplaats voor gelijkgezinden over de partijgrenzen heen, de burgemeester, de eerste schepen, sommige gemeenteraadsleden en de gemeentesecretaris, waren traditiegetrouw lid van het Davidsfonds. En er waren ook goede contacten met de twee eerder genoemde weekbladen.

Enkele zaken hadden de Vlaamse Beweging trouwens een grimmiger karakter gegeven. Tussen 1920 en 1930 zouden er een heleboel nieuwe leden bijkomen uit Vlaams-nationalistische organisaties en verenigingen. Ook het Davidsfonds in Temse trok gemakkelijk leden aan. Taalwetten, de eis om de vernederlandsing van de Gentse Universiteit, de amnestiekwestie,… er waren thema’s genoeg die het Vlaams-nationalisme populair moesten maken.
Tijdens de tweede helft van de jaren ’30 zou de lokale afdeling van het Davidsfonds zich veel meer manifesteren als duidelijk Vlaams-nationalistisch en tot meer actie overgaan. Het Davidsfonds in Temse kwam later zwaar gehavend uit de Tweede Wereldoorlog, ondanks het feit dat het niet in de collaboratie was meegestapt.
In ’32 toont de Gazet van Temse haar zeer conservatieve gelaat, ze kan haar afschuw voor links niet langer verbergen. De krant is een fervent verdediger en spreekbuis van de rechts-katholieke partij geworden.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1938 kwam er ook in Temse een concentratielijst. Op de katholieke lijst stond er ook een VNV’er op een verkiesbare plaats. De lijst werd getrokken door regerend burgemeester Frans Boel. VNV’er Jules De Frangh stond op een vijfde, verkiesbare, plaats. De verkiezingsuitslagen logen er niet om. De katholieken, met hun concentratielijst, wonnen wederom de verkiezingen en behielden dus hun numerieke meerderheid van acht zetels in de gemeenteraad.

In weinig gemeenten stond de rechts-katholieke partij zo sterk als in Beveren. Tijdens het interbellum is er nooit een liberale partij geweest in Beveren. De rechts-katholieken hadden van bij de oprichting van hun partij in de 19de eeuw een overwicht behouden in Beveren, tot de omstreden gemeenteraadsverkiezingen van 1938 plaatsvonden.
De katholieke partij was samengesteld uit verschillende standenorganisaties (de vakbond, de Boerenbond, de middenstanders, de oude Franstalige elite, enz.). Dat leidde tot spanningen en verschillende scheurlijsten. In 1938 verliet een groep middenstanders zelfs de partij voor een kartel met het VNV, een extreem-rechts Concentratieblok.
Het was vooral de steun van de roemrijke familie van Raemdonck aan dit Concentratieblok die de KVV zorgen baarde. De van Raemdoncks hadden van 1861 tot en met 1919 steeds de burgemeester geleverd in Beveren. De naam van Raemdonck kende dan ook een grote weerklank in Beveren. De ‘vrijzinnige’ BWP moest in Beveren opboksen tegen veel katholiek en nationalistisch geweld, en stond zeer zwak. Het Vlaams-nationalisme stond in Beveren opvallend sterk, ten opzichte van andere vergelijkbare gemeenten. In Beveren was het Vlaams-nationalisme sterk verweven met de rechts-katholieke partij.
Vooral Gerard De Paep (1898-1985) verwierf veel bekendheid. Hij was o.a. doctor in de genees-, heel- en verloskunde, stichter van een ziekenhuis in Beveren, senator en ere-voorzitter van de Vlaamse Oudstrijders. De gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog maakten zijn Vlaamsgezindheid nog extremer. Hij zou een belangrijke rol gaan spelen in het Vlaamse partijleven en uiteindelijk bij het VNV terechtkomen.
Door zijn activiteiten als geneesheer en het respect dat hij daardoor genoot bij grote delen van de bevolking, slaagde De Paep er in het extreme Vlaams-nationalisme tot een vaste waarde uit te laten groeien in Beveren. Hij speelde ook een grote rol bij de vorming van het Beverse Concentratieblok in 1938.
Jan van Raemdonck en Gerard De Paep wonnen toen als grote stemmentrekkers de verkiezingen in Beveren. Het extreem-rechtse Concentratieblok werd de grootste partij.

Kieldrecht, vandaag een deelgemeente van Beveren-Waas, was tijdens het interbellum een typische plattelandsgemeente, net als Stekene. De rechts-katholieke partij zwaaide hier sedert lange tijd de plak en moest daarbij weinig tegenstand dulden. De enige noemenswaardige oppositie voor de partij kwam hier uit extreem-rechtse hoek. De BWP zou bijvoorbeeld nooit een zetel veroveren in Stekene tijdens deze jaren.
Volgens de BWP in Sint-Niklaas was “de haat bij de bevolking tegenover het socialisme nergens zo groot als in Stekene”. Stekene was wel de thuishaven van de Wase Vlaams-nationalisten Victor Leemans en Dr. Geert De Rijcker. Als onderwijzende ‘intellectueel’ achter de schermen was Leemans zeer belangrijk voor het Vlaams-nationalisme. De goede contacten die hij met andere Vlaams-nationalisten had, zijn schrijf- en publiceergedrag en zijn studies in het buitenland hebben hem tot één van de meest omstreden Vlaamse intellectuelen uit de geschiedenis gemaakt.

Van Waas en verandering

In 1901 werd Victor Leemans geboren te Stekene. Leemans zou een ideoloog worden die zowel in katholieke als in Vlaams-nationalistische kringen veel gehoor vond, hij maakte de Vlaamse beweging ook in grote mate bekend met het ideeëngoed van rechtse denkers, zoals de in Duitsland erg invloedrijke Carl Schmitt, bekend als jurist in dienst van het nazi-regime.

In 1919 werd Leemans tot onderwijzer gediplomeerd, later werd hij onderwijzer in een lagere school te Stekene. Hij probeerde ongetwijfeld een voet binnen te krijgen in de Vlaamse jeugdbeweging, nadat hij tijdens zijn legerdienst al in contact was gekomen met de Duitse katholieke jongerenbeweging. De algemene jeugdbeweging in Duitsland was ontstaan uit de
romantiek van de literaire Sturm und Drang periode. Goethe en anderen lagen er aan de basis van. Diezelfde jeugdbeweging werd bekend door haar enorme grootte en lange trektochten door de natuur, maar ook door het feit dat ze later geleidelijk overgenomen werd door de nazi’s.

In 1920 lag Leemans aan de basis van de stichting van de Katholieke Vlaamse Jonge Wacht te Stekene. Doelgroep van de KVJW waren de (niet meer schoolplichtige) jongeren tussen 14 en 21 jaar die, in onderlinge samenwerking, de beginselen van hun geloof en hun “Vlaams-zijn” zouden uitdiepen en in de praktijk omzetten. Al bij de oprichting telde de vereniging meer dan honderd leden. Het was een voorloper van de Stekense afdeling van het Davidsfonds, die in 1928 door enkele onderwijzers, waaronder Leemans, werd opgericht. Nog later volgde de oprichting van de katholieke bibliotheek “Het Davidsfonds” in Stekene, die startte met zo’n 1200 boeken. In 1928 werd Victor Leemans de eerste voorzitter van de lokale Davidsfonds-afdeling.

Geregeld was Leemans in Duitsland te vinden, waar hij de jeugdbeweging bestudeerde door jeugdherbergen te bezoeken en kennis te maken met katholieke jongerengroepen. Daartoe behoorde ook de van de officiële katholieke hiërarchie onafhankelijke jeugdbond Quickborn. Terug in Vlaanderen probeerde hij dan de ideëen die in die kringen leefden te introduceren. Het zwart-romantische katholicisme van Leemans, ook bekend onder het pseudoniem Victor Van Waas, werd ondersteund door lezingen en een hele reeks sociologische uitgaven, waarbij de scheidingslijn tussen rechtse ideologie en sociologie dun was. Leemans interesseerde zich in grote mate voor sociologie, o.a. voor de theorieën van Ferdinand Tönnies.

Tönnies is vooral bekend geworden door zijn theorieën omtrent “Gemeinschaft und Gesellschaft”, meteen ook de titel van een tekst die hij in 1887 schreef. Tönnies maakte graag een onderscheid tussen de traditionele Gemeinschaft (gemeenschap) en de “rationeel ingerichte” Gesellschaft (maatschappij). De Gemeinschaft associeerde hij met het landelijke en huiselijke leven, affectieve banden, verstandhouding, traditie en hiërarchie. De Gesellschaft verbond hij in zijn denken aan de grootstad en het kosmopolitische, de zakelijkheid en berekening, de koele maatschappij die aan invloed won.

Met zijn onderscheid zette Tönnies ongewild een beweging in gang die zich beriep op “de Gemeinschaftsideologie”. Aan het begin van de 20ste eeuw begon die ideologie op te bloeien in Duitse jeugdkringen, en werd daarna steeds vuriger beleden door Duitse romantische jongeren. Zo’n geestesstroming, die in naam van een “nieuwe organische éénheid” aan populariteit won, sprak ongetwijfeld ook Leemans aan.

We kunnen stellen dat enkele rechtse intellectuelen, in het West-Europa van de jaren dertig, misschien wel net zo veel de maatschappijveranderende rol van jongeren beklemtoonden als dat Herbert Marcuse en andere linkse intellectuelen zoiets deden in het Westen van de jaren zestig. Het was dan ook een ander tijdsgewricht. De jaren dertig brachten een economische crisis en veel links arbeiderisme met zich mee. De jongeren van de jaren dertig hadden ook als kind op weinig bewuste wijze de gevaren en de ellende van de Eerste Wereldoorlog beleefd. De jongeren die de oorlog hadden meegemaakt, hadden niet zelden jeugdtrauma’s opgelopen die hen gemakkelijk tot hysterie en ander neurotisch gedrag aanzetten.

De jongeren van de jaren zestig waren daarentegen vaak het voortbrengsel van de babyboom die na de Tweede Wereldoorlog tot stand kwam. De Westerse jeugd van de late sixties kende alleen maar economische welvaart, en liep door het grote aantal jongeren dat uit de babyboom ontstaan was, volop in de kijker. Even later, in de jaren zeventig, brak er echter opnieuw een economische crisis uit, en had het bedrijfsleven de jongerencultuur intussen volop ontdekt. Door reclame en modetrends uit te denken, wist men vanuit het bedrijfsleven een nieuw potentieel van consumenten aan te boren, dat van de exponenten van de jeugdcultuur.

Waar de rechterzijde voordien jongeren probeerde in te lijven met behulp van o.a. militarisme en christelijk geloof, werden onder de invloed van de vredesbeweging geweld en legerdienst steeds minder populair in de jaren zestig, en was er met o.a. de seksuele revolutie, de anti-conceptiepil en de new age een anti-puriteinse beweging op gang gekomen.

Veel vroeger, in 1927, werd het katholieke Vlaams-nationalistische weekblad “Jong Dietschland”
opgericht, onder de impuls van priester Cyriel Verschaeve, niet toevallig één van de bekendste extreem-rechtse figuren uit de Belgische geschiedenis. Victor Leemans was van bij het begin tot in 1930 hoofdredacteur. Het tijdschrift was de spreekbuis van jonge katholieke flaminganten, die poogden het Vlaams-nationalisme met het rooms-katholieke geloof te verbinden in een rechtse éénheid. In 1934 heeft Leemans ontslag genomen uit de redactie toen het tijdschrift openlijk de machtsovername door Adolf Hitler begon toe te juichen. Wel bleef hij aan Jong Dietschland meewerken onder de schuilnaam Victor Van Waas. Maar al vrij snel zou het tijdschrift ophouden
te bestaan.

Victor Leemans had zijn interesse voor de jongerenbeweging erg duidelijk gemaakt. In de Duitse jeugdbeweging, van tijdens het interbellum, zag hij een zeer sterke kracht voor de verspreiding van een romantisch, parochiaal katholicisme en “het doorzetten van haar idealen en haar levensvorm in deze individualistische tijd”. In 1932 wendde hij zijn kennis over Duitsland aan om een brochure te schrijven, met als titel “Het nationaal-socialisme”. Alhoewel hij een zekere scepsis behield ten opzichte van het fascisme van Hitler en Mussolini, daarvoor was hij te zeer trouw aan de kerkelijke hiërarchie en het in Vlaanderen enorm populaire katholieke traditionalisme, koesterde hij er ongetwijfeld ook veel sympathie voor.

Leemans beklemtoonde wel meer de rol die “het volk” moest spelen. Carl Schmitt had hem in ruime mate geïnspireerd als het over techniek ging. Intellectuelen als Schmitt, Leemans en Martin Heidegger hadden een afkeer, of toch op zijn minst een scepsis, tegenover techniek gemeen. Voor Leemans bewees de ontchristelijking van Europa, tijdens zijn jonge leven, dat de techniek geen verlossende macht kon zijn. In de jaren dertig volgde hij Schmitt in het idee dat de neutraliteit van de techniek een mythe was die ontkracht moest worden.

Victor Leemans

Dat die techniek ingezet kon worden voor propaganda-doeleinden wist men in extreem-rechtse kringen maar al te goed. Die propaganda werd dan soms verkocht als kunst, ze was echter duidelijk voor de massa bedoeld en o.a. daarom eerder kitsch dan kunst. Mussolini heeft ooit eens gezegd dat hij geen staatsman was maar eerder “een gekke poëet”. De propagandakunst van het fascisme zat dan ook vol theatraliteit, rituelen en irrationele emotie. De propaganda werd volop gestileerd met symboliek op grote parades, ceremonies en massabijeenkomsten. De verspreiding van de fascistische theatraliteit was afhankelijk van de technologie van de massamedia. De Duitsers leerden de aard van de massabijeenkomsten kennen via radiotoestellen en cinemaschermen.

De extreem-rechtse filmmaakster Leni Riefenstahl werd ingeschakeld om fascistische propagandakunst te brengen. Daarin werden mensen bijeengebracht in groepen die geometrische figuren vormden, de vormloosheid van de massa’s moest getransformeerd worden in verenigde nationale kracht, waarvan de geometrie en symboliek er uitdrukking aan moesten geven.
De anti-fascistische filosoof Walter Benjamin sprak over een “esthetisering van de politiek”, waarbij de werkende klassen de kans kregen om expressief te zijn zonder hun rechten te verkrijgen. In de fascistische propagandakunst werden idyllische beelden gebruikt van het rurale leven. De natuur werd er in afgebeeld als tam en harmonieus, waarbij de technologie van plattelandswerkers verouderd was, maar men toch in harmonie met de natuurlijke cycli kon werken.

De overindustrialisatie was er vooral om tegemoet te komen aan een cultus van dood en geweld in oorlogssituaties, waarbij strijd als heroïsch diende over te komen, en strijders de perfecte lichaamsbouw dienden te benaderen. De technologie werd dan ook volop gebruikt in pogingen om “een arisch ras” te kweken. “Bloed en bodem” werd als centrale Nazislogan gebruikt, maar ook als titel voor een reeks schilderijen die mensen toonde die geworteld waren in de aarde van het thuisland, waarbij het zaaien en oogsten symbool stonden voor de “genetische zuiverheid
van het ras”.

De Nazis zochten regelmatig naar een mix van een als gouden verloren verleden ervaren tijdperk en een op de toekomst geprojecteerd “ideaal”. Dat kwam o.a. naar voor in de neo-classicistische architectuur, en de door Riefenstahl gefilmde sportwedstrijden die refereerden naar de klassieke Oudheid. Het fascisme verwierp de idee van Vooruitgang. De idee van Vooruitgang had haar wortels in de traditie van de achttiende-eeuwse Verlichting, en behield de notie dat de geschiedenis een lineair verloop kende waarin de menselijke rede tot ontplooiing kwam.

De idee van Vooruitgang had christelijke wortels. Ondanks haar ambivalenties was er in de christelijke cultuur een ideaal van “verlossing” aanwezig, een toekomstgericht zijn dat doorheen de geschiedenis radicale bewegingen had voortgebracht die opkwamen voor de rechten van armen en onderdrukten. In het christendom was ook het goddelijke langzaam uit de samenleving en de natuur verdwenen. Met haar idee van “God de vader” seculariseerde het christendom het samenlevingsdomein, het was niet langer gemakkelijk doordrongen van mythes en heilige autoriteiten. Er was geen “heilige kosmos” meer, en dus ook geen “heilige samenleving” waarin onderdrukking plaatsvond in de naam van mystieke natuurlijke kwaliteiten, die konden toegeschreven worden aan zich op heilige superioriteit beroepende autoriteiten.

Dat alles maakte dat de Nazis zich niet altijd even aangetrokken voelden tot het christendom. De idee van een circulair patroon van hergeboorte en heropleving sprak hen meer aan, net zoals men hoopte op de terugkeer van “een verloren gouden tijdperk”. Dat de Duitse individualistische filosoof Friedrich Nietzsche ook had gesproken over “een eeuwige terugkeer” in de geschiedenis heeft een aantal van hen ongetwijfeld ook aangesproken. De Nazis recupereerden maar al te graag denkstromingen en artistieke uitingen. De Nazis hebben niet alleen Nietzsche en zijn filosofie gerecupereerd. Men heeft dat ook geprobeerd met het expressionisme. Toen dat weinig lukte is men het expressionisme volop beginnen te beschimpen.

Friedrich Nietzsche

Ook de kunst in Vlaanderen kwam onder extreem-rechtse invloed, in literaire kringen bijvoorbeeld. De literatuur in Vlaanderen had nochtans voordien enkele interessante schrijvers voortgebracht. Vaak waren die geconcentreerd rond het tijdschrift Van Nu en Straks. Dit tijdschrift was op het einde van de negentiende eeuw ontstaan en zou in eerste instantie (in het totaal, maar met een onderbreking van twee jaar) een zevental jaren verschijnen. Toch was het toen al erg invloedrijk in de Lage Landen. Van Nu en Straks betekende een vlucht van het toenemende provincialisme van die tijd, in de richting van een kosmopolitische levenshouding. Men zocht aansluiting bij buitenlandse artistieke bewegingen. Zo zocht Stijn Streuvels, één van de bekendere schrijvers die aan het tijdschrift meewerkten, inspiratie in Frankrijk, Zweden en Rusland (met Tolstoi).

De eeuwige terugkeer van natuurlijke cycli speelde een belangrijke rol in het literair werk van Streuvels, dat volgens zijn kompaan August Vermeylen (die ook een centrale rol speelde binnen Van Nu en Straks) beter werd met de jaren. De natuur bleef een centrale rol spelen, maar volgens Vermeylen kon Streuvels een betere beschrijving van het natuurlijke geven. Van Nu en Straks hield even op te bestaan in 1901 na een onenigheid over de verder te volgen weg. Het blad had een erg anarchistische invalshoek gekregen, maar er kwam een verburgerlijking van sommige medewerkers. De werken van de Russische anarcho-communist Peter Kropotkin en van de Duitse individualist Max Stirner waren in eerste instantie erg populair geweest in deze kringen. Kropotkin is in zijn natuurbeschrijvingen lovend geweest over de menselijke mogelijkheden, en de mate van samenwerking die er in de natuur aanwezig was. De waardering voor de natuur vond men ook terug bij Streuvels.

Stijn Streuvels

In Streuvels’ boek Dorpslucht liep ene dokter Blondeel bij nacht en ontij over ’t land. “Het meeleven, het opgaan in de natuur, zonder omgang of tusschenkomst van menschen, had hem altijd getroost voor de kleinzieligheid en de afgemeten eentonigheid der kleine gebaren en het verdrietige van het dorpsleven.” Dorpsleven en natuur waren twee kernbegrippen bij Streuvels. In Vlaanderen fungeerde Van Nu en Straks als katalysator voor de vrijzinnige en katholieke bladen die in dezelfde tijd ontstonden, vernieuwd of heropgericht werden.

De reactie volgde echter. De vermaardheid van Streuvels leidde ertoe dat andere, slechtere schrijvers hem gingen kopiëren, zoals Felix Timmermans. Timmermans werd te Lier geboren in 1886. Hij was schrijver, schilder, tekenaar, toneelauteur en autodidact. Hij volgde tot zijn 15 jaar de lagere school en ging dan naar de tekenacademie. In 1916 schreef hij “Pallieter”, wellicht zijn bekendste werk. Deze roman was “een ode aan het leven en de natuur”. Het werd zijn grootste succes. Hierna volgden nog een hele reeks andere literaire werken, van een romantisch liefdesverhaal tot religieus-historische verhalen als “Het kindeke Jezus in Vlaanderen”. Hij was misschien wel de meest succesvolle auteur uit de periode tussen de twee wereldoorlogen in Vlaanderen. Zijn werk werd in ettelijke talen vertaald. Hij was ook een flamingant, in 1942 ontving hij aan de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs. Daarna betichtte men hem van collaboratie, maar zijn dossier werd geseponeerd.

Cyriel Verschaeve, een andere Vlaamsgezinde schrijver, verging het minder goed. Hij werd, na zijn collaboratie, in 1946 bij verstek ter dood veroordeeld. De oude Verschaeve was naar Oostenrijk gevlucht, waar hij twee jaar later stierf. Cyriel Verschaeve publiceerde o.a. “Zeesymphoniën” (1911) waarin zijn symbolische gedachtenlyriek tot uiting kwam, namelijk de spanning tussen “het aardse en het oneindig eeuwige”, waartussen de mens krampachtig zijn weg zocht. Datzelfde jaar schreef hij ook het romantische toneelstuk “Jacob van Artevelde”. Op het einde van de jaren ’20 zocht hij toenadering tot Joris Van Severen en zijn extreem-rechtse partij Verdinaso. Wanneer dit Verdinaso echter een ommezwaai maakte in belgicistische richting, keerde hij het de rug toe. Na het uitbreken van Wereldoorlog II hoopte Verschaeve met de hulp van de Nazis zijn ideaal, namelijk de éénheid van de Nederlanden (Dietschland) in een geest van een Germaans christendom, te kunnen verwezenlijken. Naast vele literaire werken maakte hij ook essays en was hij beeldhouwer.

Ook de schrijver Ernest Claes, bekend van het boek “De Witte van Zichem” (dat later verfilm werd, en als film uitgroeide tot één van de meest bekeken audiovisuele kunstwerken uit de Vlaamse geschiedenis), was flamingant. Een collega legde een knipseldossier aan van zijn activiteiten tijdens de oorlog, als collaborateur werd hij drie maanden lang opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis, waarna hij werd vrijgesproken.

En dan was er ook nog Wies Moens, in 1898 geboren te Sint-Gillis-Dendermonde. Hij was een exponent van het, ook in progressieve literaire kringen populaire, “activisme”, een beweging die met de hulp van de bezettende macht (1914-18) naar meer Vlaamse autonomie streefde. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij veroordeeld en verbleef hij tot maart 1921 in de gevangenis. Tijdens zijn gevangenschap schreef hij enkele expressionistische dichtbundels. Tien jaar later werd hij, samen met o.a. Joris Van Severen, medeoprichter van het Verbond van Dietse Nationaalsolidaristen (Verdinaso). Daarna werd hij een bekende Vlaams-nationalistische ideoloog, tijdens de Tweede Wereldoorlog directeur van Zender Brussel. In 1947 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld. Wies Moens was gevlucht naar Nederlands Limburg, waar hij leraar Nederlands werd. In zijn latere dichtbundels, zoals “Het vierkant” (1938) en het autobiografische “Het spoor” (1944), verheerlijkte hij het Dietsland uit zijn eigen voorstellingen.

Van Hitler en Mussolini vond Victor Leemans dat ze teveel de rol van een totalitaire staat benadrukten. Net als Heidegger had hij meer zijn hoop gesteld in de ‘intellectuele’ klasse. Maar dat zou hem niet beletten om later uitgebreid met de Duitse bezetter te gaan samenwerken. Leiders moesten in naam van “het volk” opstaan om dat volk warm te maken voor de totalitaire staat.

Op 7 oktober 1933 stichtte Staf de Clercq het Vlaamsch Nationaal Verbond. Het VNV steunde in Vlaanderen op een ruime katholieke basis van intellectuelen, middenstanders en studenten die een zogenaamde Nieuwe Orde wensten. Leemans stond jarenlang erg dicht bij het VNV, tijdens de Tweede Wereldoorlog collaboreerde hij als Secretaris-generaal voor economie. In zijn toespraken had Leemans zijn sympathie voor het VNV en voor “de nieuwe orde” ook duidelijk gemaakt. Maar zijn trouw aan de ultrakatholieke rechterzijde in Vlaanderen maakte dat hij de bezetter niet altijd
hielp om België te doen opgaan in de economie van het Reich. Er wordt door sommigen zelfs beweerd dat hij daarbij tot op het uiterste randje van zijn eigen veiligheid is gegaan. Op die manier heeft men zijn collaboratie proberen goed te praten.

Bij de repressie tegen de collaboratie werden Leemans en zijn echtgenote mishandeld. Niet veel later stierf zijn vrouw, mogelijk deels als het gevolg van die mishandelingen, wat hem in staat stelde een slachtofferrol op zich te nemen. De repressie was trouwens bijwijlen erg hard. Er werden bijvoorbeeld collaboratrices door Amerikaanse soldaten verkracht.

Victor Leemans zetelde vanaf 1949 voor de CVP in de senaat, die enkele aangebrande Vlaams-nationalisten rekruteerde om een eventuele, nieuwe en Vlaamse extreem-rechtse partij de wind uit de zeilen te nemen. Hij had intussen, net zoals zoveel andere collaborateurs wat tegen de eigen zin in, de anonimiteit van de grootstad opgezocht. Victor Van Waas was in Antwerpen gaan wonen.

Hij bleef publiceren. In het dagblad De Standaard liet hij wekelijks bijdragen van zijn hand verschijnen en in boeken behandelde hij uitgebreid het denken van Karl Marx en Sören Kierkegaard. Op die manier probeerde hij wellicht ook zicht te krijgen op het in die tijd populaire linkse existentialisme van de Fransman Jean-Paul Sartre, dat in grote mate aansloot bij het denken van de genoemde Duitser en Deen. In 1964 werd Leemans fractievoorzitter van de christen-democraten in de Belgische senaat. Iets later werd hij voorzitter van het Europees parlement. In 1971 stierf hij in Leuven. Op de begrafenis noemde de bisschop van Antwerpen Leemans “een wijs, edelmoedig en eenvoudig man”.

Dat men in rechts-katholieke kringen een voormalige collaborateur en invloedrijke intellectueel zo’n vooraanstaande rol liet spelen blijft een onvergeeflijke fout. Jarenlang had Leemans voor apologieën van het nazisme gezorgd en de Vlaamse jeugd warm proberen te maken voor extreem-rechtse gedachten. Toch kon hij later, als politicus en schrijver, zijn grote invloed op het culturele klimaat in het Noorden van België bewaren. Jazeker, na de repressie was Leemans pragmatischer geworden, maar zijn oude droom van de verchristelijking van Europa volgens rechts concept bleef.

Leemans’ fractie, die niet veel later de erg rechtse Paul Vandenboeynants in een centrale rol als politicus zou zetten, bleef enorm populair, zeker in het Waasland en Vlaanderen stond de christen-democratie enorm sterk. Een fundament waarop die stroming in ruime mate steunde was die van het personalisme. Leemans had er al veel eerder interesse voor getoond, maar had het niet rechts genoeg bevonden. Al voor de oorlog had hij echter de gedachten van vooraanstaande figuren van het personalisme in zijn discours betrokken.

Het personalisme was er vanuit katholieke kringen gekomen als reactie op de strijdvraag rond de verhouding tussen gemeenschap en individu. Vermits de gemeinschaftsideologie tijdens het interbellum aan populariteit won, was dat zeker geen overbodige vraag. Het personalisme zag de enkeling als een persoon met een eigen waardigheid en levenssfeer, maar zijn of haar verbondenheid met de “levende gemeenschap” werd als verrijkend beschouwd. Het personalisme probeerde vooral het christelijke midden uit tussen de extremen van liberaal individualisme, autoritair socialisme en fascisme. Zowel individu als collectiviteit werden gewaardeerd, zonder daarbij in uitersten te vervallen. Zelfbepaling, extreem egoïsme en totalitair gedrag werden allemaal verworpen.

In “Een geschiedenis van België” (2003) maakt Marc Reynebeau duidelijk waarom dat personalisme in de katholieke wereld steeds meer omarmd werd. “In de solidariteit van het gemeenschapsdenken kon elk individu zijn plaats vinden. Sociale differentiatie werd daarin niet conflictueel geïnterpreteerd, maar verplichtte tot een welwillende samenwerking ten bate van dat algemeen belang.” Zo’n samenwerking tussen de verschillende belangengroepen in de maatschappij ondermijnde niet alleen het project van de klassenstrijd. Het behield ook een affiniteit met de rollen die extreem-rechts zag weggelegd voor die belangengroepen, namelijk de solidariteit versterken tussen de leden van de natie, in een poging de greep van de staat op alle geledingen van de maatschappij, dus ook de economische, totaal te maken.

Het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat de christen-democratie in Vlaanderen volop de kaart ging trekken van het Vlaams-nationalisme, een regionale beweging die de solidariteit met het linksere Wallonië vanuit Vlaanderen ondermijnde. Vlaanderen was al lang niet meer de arme regio van voordien. Het was één van de rijkste gebieden in Europa geworden, waar de leegloop van kerken gecompenseerd werd door een groeiend individualisme, zodat rechts er ook zijn grote invloed bleef bewaren.

De Vlaamse beweging behield haar grote affiniteit met het katholicisme. Zelfs iemand als Bert Anciaux, die tot de meest progressieve geledingen van de beweging behoorde, stak zijn voorkeur voor het katholieke geloof niet onder stoelen of banken. Victor Leemans had bovendien met extreem-rechtse politici als Gerolf Annemans en Alexandra Colen populaire opvolgers, die net als Leemans, ideologisch gezien, pragmatischer werden op latere leeftijd, doordat de tijd nu eenmaal niet bleef stilstaan en haar invloed op de maatschappelijke ontwikkelingen had.

Er bewoog gelukkig nogal wat op artistiek en tegencultureel vlak. Niet in het minst doordat nieuwe technische ontwikkelingen en het rijker wordende Vlaanderen daarvoor andere mogelijkheden boden. De nieuwe artistieke ontwikkelingen zetten zich eerst vooral door op literair, later op muzikaal en visueel vlak. Jongeren gingen volop aan de slag met de nieuwe techniek, van electrische gitaar tot digitale camera.

Vermits de Belgische economie in ruime mate op bierbedrijven steunde en Vlaanderen een centrale ligging in West-Europa had, die lang touren soms overbodig maakte, kon ook de wereld van de muziekfestivals volop groeien. Dankzij subsidies ook, en sinds de jaren zestig waren er in en rond de grote steden steeds vaker als paddestoelen uit de grond schietende rockgroepjes. Een sterk uitgebouwd sociaal zekerheidsstelsel gaf aan jongeren de kans creatief te blijven zonder een job te hebben.

De filmsector hinkte meer achterop, onder andere door de hoge kost van filmprodukties en het beperkte taalgebied waarin nederlands gesproken werd. De markt kreeg trouwens een steeds grotere greep op het culturele landschap. Ontzuiling, ontkerkelijking en economische globalisering zorgden daarvoor. De linkse tekstschrijvers werden steeds meer afhankelijk van het internet om hun schrijfsels kwijt te geraken, de uitbouw van het indymedia-netwerk, een in theorie “onafhankelijk” medianetwerk dat open stond voor de meest uiteenlopende visies, was opvallend in dat verband.

In het Waasland was van dat alles niet zoveel te merken, de modernisering van het denken werd er hoogstens wat duidelijk door kleine groepen vooruitstrevenden en een nieuw soort vrijetijdsbesteding. Van vrouwenkommitee tot Masereelfonds, van strijdsyndicalisten in de schepenbouwsector tot milieuactivisme en progressief jeugdhuis, … er zit voor progressieven vaak niets anders op dan wat in de marge verder te rommelen of naar steden als Gent en Antwerpen te trekken.

Nelly Maes

Sommigen probeerden de Vlaamse beweging, vanuit het Waasland, in een linksere richting te duwen. Ik denk hierbij aan politici als Maurits Coppieters en Nelly Maes. De invloed die zij binnen de overwegend rechtse Volksunie kregen, zou de voornaamste aanleiding vormen voor de extreem-rechtse afsplitsing van de partij. De jaren zestig hadden ook de Volksunie niet onberoerd gelaten, de vrees leefde er ongetwijfeld te worden gemarginaliseerd dankzij het aanstormende idealisme van een nieuwe generatie. Er werd dan ook de ruimte gelaten voor nieuwe, jongere politici om de partij-ideologie te moderniseren. Onder leiding van de in de jaren zeventig boos uit de Volksunie gestapte Karel Dillen ontstond in 1979 het Vlaams Blok. Twaalf jaar later kwamen de grote electorale suksessen voor die partij, eerst vooral in Antwerpen, later in heel Vlaanderen.

Dat Vlaanderen rechtser was dan Wallonië was al veel eerder tot uiting gekomen, bij de koningskwestie rond Leopold III bijvoorbeeld. Met de steun van de Christelijke Volkspartij zouden veel Vlamingen zich uitspreken voor de terugkeer van de in opspraak geraakte vorst. De rol die hij vervulde tijdens de Tweede Wereldoorlog was inderdaad meer dan aangebrand. Maar de steun die hij vanuit rechtse katholieke kringen kreeg, maakten dat hij ei zo na opnieuw een lange periode als vorst van België kon doormaken. Bij een volksraadpleging over het al dan niet terugkeren van de vorst waren 72% van diegenen die opdaagden in Vlaanderen gewonnen voor de terugkeer. Dat was dertig procent meer dan in Wallonië. In het Waasland was zelfs bijna 78% voor de terugkeer van Leopold III gewonnen.

Het gebrek aan betaald werk maakte het Waasland er niet linkser op in de jaren vijftig. Vanaf 1953 steeg het Werkloosheidscijfer er opnieuw, in februari van het jaar ’59 ging het zelfs om 7000 mensen. In Stekene, de voormalige heimat van Victor Leemans, waren er het jaar voordien 41% van de, als loontrekkenden ingeschreven, mensen baanloos.

Een paar jaar later volgde er in België een grote sociale beroering in de vorm van de staking tegen de Eénheidswet, een besparingsprogramma met onder andere een forse verhoging van de indirecte belastingen, besnoeiingen in de sociale uitgaven en bezuinigingen in de openbare diensten. (De sociaal bewogen cineast Frans Buyens, die trouwens in de Wase gemeente Temse opgroeide, maakte een mooie documentaire over het massale protest, dat grotendeels in Wallonië plaatsvond.) Het zou de CVP heel wat stemmen kosten, een trend die blijvend was, ondanks de economische bloei die er vanaf 1961 in Vlaanderen plaatsvond.

Eén van de redenen voor het verlies van de chisten-democratie was de opkomst van de Volksunie. Met Gerard De Paep (die een spectaculaire comeback maakte) en Maurits Coppieters had de Volksunie in het Waasland twee stemmentrekkers van formaat, waardoor in 1965 de Volksunie in het Waasland bijna 20% van de stemmen kon binnenrijven, en in Beveren dubbel zoveel. De Volksunie stond nergens zo sterk als in het Waasland. Een aantal jonge, katholieke flaminganten hadden samen met een oudere generatie politici de handen ineengeslagen om o.a. voort te bouwen op de vroegere neerslag van het VNV-sukses.

Heteropatriarchaal

De Volksunie (VU) droeg er in ruime mate toe bij dat de Vlaamse beweging heropleefde, zelfs na de verbrokkeling ervan bij het einde van de partij, enkele jaren geleden, bleef de Volksunie een schaduw werpen over Vlaanderen. Talloze invloedrijke politici van vandaag zaten ooit bij de VU. Onder invloed van onder andere de voormalige minister-president van Vlaanderen, de Christen-democraat Luc Van den Brande, werden alle rechtse politici steeds nationalistischer in hun retoriek.

De druk van het Vlaams Blok, dat electoraal gezien steeds suksesvoller werd, droeg daar ook toe bij. Het Blok was een traditionalistische ‘postmoderne’ protestpartij, met een grote éénheid in beperkte verscheidenheid, en dat sloeg aan bij de kiezers. Het gaf veel Vlamingen het gevoel dat er een winnend alternatief op komst was dat het als grauw en ééntonig ervaren dagelijks leven kon opfrissen. De klungelaars van het VB dienden ook geen bestuursverantwoordelijkheid op te nemen, zodat eventuele fouten ook niet electoraal afgestraft werden.

In progressieve kringen werd politiek ervaren als oninteressant en doordrongen van allerlei vieze machtsspelletjes, een maatschappelijk gegeven waar men nauwelijks of geen invloed op uit kon oefenen. Dit leidde tot een verlies aan politiek bewustzijn. Afkerig als men was van alles wat met staatkundige besluitvorming te maken had, verloor men de interesse in alles wat met politieke ideologie te maken had. Veel progressieven in Vlaanderen verloren hoop en toekomstperspectief. In de plaats daarvan kwamen gevoelens van eenzaamheid, cynisme en gebrek aan organisatiekracht. Met de economische crisis van de jaren zeventig, de yuppies van de jaren tachtig en de toenemende individualisering, zou het pas met de opkomst van de andersglobalisatiebeweging zijn dat er in progressieve kringen weer werkelijk hoop binnensloop, in Vlaanderen wel afgeblokt door de suksessen van het VB.

Eén van de meest rechtse groepen binnen de Vlaamse beweging was de Vlaamse Militanten Orde (VMO). De VMO vomde een bakermat voor de meest dubieuze figuren binnen het later ontstane Vlaams Blok, o.a. de heiden Wim Verreycken, de momenteel vervolgde holocaustontkenner Sigfried Verbeke en de (in het verleden) van seksueel kindermisbruik beschuldigde Xavier Buisseret. De leider van de VMO werd al snel Bert Eriksson. Eriksson werd beroemd tot in het buitenland, nadat hij in een tv-interview gezegd had dat Hitler slechts één fout gemaakt heeft, namelijk de oorlog verliezen…

‘(…) Eriksson een man van ’t Noorden
zuivere inborst, hij is zo
wiens gedacht men tracht te breken
omdat met de VMO
Eriksson heeft willen vechten
voor ’t behoud van ’t eigen ras
voor die Vlaamse tamme knechten
alsof dat een schande was…’

(uit een gedicht van Jef Elbers “Ode aan Bert Eriksson”, 1983)

Tijdens de jaren zeventig was Eriksson de belangrijkste man van de Vlaamse Militanten Orde (VMO), en werd hij diverse malen veroordeeld voor gewelddadige acties. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij nog bij de Hitlerjugend-Vlaanderen. Eriksson is momenteel zwaar ziek, en de leeftijd van zeventig al enkele jaren voorbij. Toch blijft hij een belangrijke rol spelen in het “zuiver” houden van het rechtse extremisme in Vlaanderen. Hij is ook een inspirerende leider voor het ecofascistische Groen Rechts, samen met o.a. de voormalige anarcho-primitivist Richard Hunt.

Na het verbod op de VMO richtte Eriksson de Odal-groep op. Hij was ook jarenlang eigenaar van het Antwerpse café Odal. Midden jaren negentig ontstond een actiegroep van jongeren, het Odal-Aktiekomitee, dat een zeer duidelijke anti-houding aannam : anti-links, anti-buitenlanders, anti-Amerika en, opmerkelijk genoeg, duidelijk tegen het Vlaams Blok. De odal was bekend als runeteken dat verwees naar trots over de eigen oude culturele en religieuze tradities. Het odal-symbool werd veelvuldig gebruikt door meerdere fascistische groepen. Het zogenaamde odalisme blijft ook nu nog sterk verbonden met de oude tradities van het heidendom.

Eriksson heeft Zeeuws-Vlaanderen gekozen als een plek waar hij zich al jaren thuis kan voelen, niet voor niets een regio waar rechts erg populair is. Minder dan twee jaar geleden trad Eriksson even terug op de voorgrond… in het Waasland. Op 11 oktober 2003 had hij in Waasmunster een afspraak met een journalist van Knack en enkele televisiemensen. Toen de journalisten echter de plaats van afspraak betraden, de Uylenhoeve in Waasmunster, deed Eriksson alsof hij van niets wist. De eigenaresse van de Uylenhoeve, Frieda Foubert, gemeenteraadslid voor het Vlaams Blok in Waasmunster, wist naar eigen zeggen ook nergens van.

Fascistische organisaties als De Zwarte Zon en Blood&Honour organiseerden hier dezelfde dag een herdenkingsdag voor de Duitse nazi Rudolf Hess. Hij was jarenlang de rechterhand van Adolf Hitler. Elk jaar herdachten ook duizenden neo-nazi’s Hess in Wunsiedel, waar hij werd begraven, hetzelfde gebeurde door extreem-rechtse groepen in landen als Denemarken, Nederland en België.

De bekende folkzangeres Soetkin Collier, ooit nog lid van Laïs, werd er lange tijd van verdacht op zo’n herdenking aanwezig te zijn geweest. In 2003 mocht ze zelfs niet optreden op het Eurovisiesongfestival, nadat de staatsveiligheid ertussen was gekomen. Haar groep Urban Trad zou toch nog een tweede plaats behalen bij dit prestigieuze festival. Met behulp van een alibi wist Soetkin Collier daarna haar naam te zuiveren. Collier is afkomstig uit een familie die haar wortels in het Waasland heeft. Haar broer Arnout is actief geweest in het Vlaams Blok van Beveren en de sterk met het Waasland verbonden groepen Vrijbuiter! en Doel 2020.

Door haar uitlatingen in oktober 2003 werd Frieda Foubert ontslagen uit het Vlaams Blok. Het VB werkt zo nu eenmaal.. Iemand haalt de media met iets dat de partijleiding te extreem vindt. Dan wordt die persoon ontslagen. Maar de kans is groot dat de persoon in kwestie even later weer opgevist wordt, en terug partijlid mag worden. Zo ging het ook met Frieda Foubert. Aan Knack vertelde ze net na haar ontslag : “Wat is dat nu voor zever! Er bestaat toch zoiets als vrijheid van meningsuiting? Ik heb gewoon mijn ruimte verhuurd voor die Rudolf Hess-herdenking, dat moet ik toch zeker zelf weten!” Daarna voerde de partij volop campagne als “slachtoffer van gerechtelijke vervolging en het gebrek aan vrije meningsuiting in dit land”.

Op 20 november 2004 had er weer een bijeenkomst in Waasmunster plaats. Ook Eriksson en een Knack-journalist waren aanwezig. In Knack verscheen er later een lang artikel over de gebeurtenissen, waarin het volgende te lezen stond : “Eriksson heeft een uiterst romantisch gevoel bij de Vlaamse beweging. Bloed en bodem. Hij associeert die beweging nog steeds met jonge, frisse knapen en meisjes die volksdansen, meiboomplanten.” Tussen folkkringen en journalisten boterde het al lang niet meer.

Eriksson liet het niet na zijn antisemitisme duidelijk te maken aan Knack. “Het aanpappen van het Vlaams Blok met de jood is voor mij wel een steen des aanstoots. (…) Ach, de vrijheid van meningsuiting wordt steeds kleiner. Vroeger kon je nog eens spreken over ‘een smerige jood'”. Eriksson noemde racisme ook nog “een wetenschappelijke rassenleer”. “Racisme is niets kwalijks, ik zou niet weten waarom. De dieren worden toch ook in rassen verdeeld?” Bij het afscheid met de journalist van Knack liet hij het niet na even aan holocaustontkenning te doen.

Net voor de lente van dit jaar planden de neonazi’s van Blood & Honour opnieuw een meeting in Waasmunster, in Feestzaal De Lor. Het geheel draaide onder andere rond holocaustontkenning. Als belangrijkste spreker op de meeting in Waasmunster stond Vlaanderens notoirste negationist geprogrammeerd: Siegfried Verbeke. Verbeke is bekend als de man die jarenlang, via het internet en het kleven van stickers op straatborden en lantaarnpalen, zijn holocaustherziening aan de man heeft proberen te brengen.

De ultraliberale burgemeester van Waasmunster heeft weinig moeite gedaan om de bijeenkomsten van neonazi’s uit zijn gemeente te bannen. Nochtans is Blood and Honour een internationaal nazi-netwerk dat via publicaties en harde metalmuziek de jeugd en anderen tot het nationaal-socialisme wil bekeren. Het ontkennen van de Holocaust of het minimaliseren daarvan behoort ook tot de favoriete bezigheden. Kleine extreem-rechtse groepen die het VB te gematigd of te weinig toekomstgericht vinden (cfr. Groen Rechts bijvoorbeeld) proberen voortdurend in en rond Antwerpen, maar ook in het Waasland, voet aan de grond te krijgen. Holocaustontkenning, heidense tradities of harde muziek staan daarbij centraal.

Een traditionele heidense religie die in rechtse kringen van Vlaanderen populair lijkt te zijn is “Asatrú”, wat zoveel betekent als “getrouw aan de Hemelgoden” zijn. Ze wordt uitgedragen door de Werkgroep Traditie die, met behulp van regionale kernen in Vlaanderen, vorming en allerlei publicaties, ingang probeert te vinden in Vlaamse families. Zo ook in het Waasland, waar misschien wel de belangrijkste figuur binnen Traditie, ene Koenraad Logghe (die er tien jaar lang voorzitter van is geweest maar onlangs werd vervangen, en ook veel gepubliceerd heeft), een regionale kern heeft opgezet om de principes van Asatrú uit te dragen. De term is misleidend omdat, ook “Aardgoden” geëerd worden en, dixit Werkgroep Traditie, “alle trappen en werelden in deze visie begrepen zijn”. Aan misleiding doet ook Logghe graag, die een jarenlange activiteit in extreem-rechtse kringen op zijn ‘palmares’ heeft staan.

Asatrú wordt door Traditie gezien als de oude, voorchristelijke religie van Noord-Europa, “een levensbevestigende religie, een levenswijze in en met de natuur. Asatrú is een spirituele weg tot zelfrealisatie door middel van een bewust één-worden met de natuur”. Op de website van Werkgroep Traditie wordt ook beweerd dat het om een “etnische religie” gaat. “Het is door de keten van de eigen traditie, van de eigen symbolen, riten en cultuurelementen, dat de religieuze mens de band kan herstellen met wat ‘het Goddelijke’ genoemd wordt”. In deze religie wordt alles sacraal en dus ook niet zomaar aanvechtbaar of vernietigbaar.

Dit blijkt ook uit de visie die men op de voortzetting van culturen heeft in deze kringen. Alle culturen en alle inheemse religies en geloofsovertuigingen worden in theorie op dezelfde wijze gewaardeerd en gerespecteerd. Het gaat hier dus in theorie om puur cultureel relativisme. Maar een religieuze sekte zou niet religieus zijn als ze ook niet zou proberen aan zieltjeswinnerij te doen. In de praktijk schiet er van deze overtuiging dus niet alles over. De grote verscheidenheid aan culturele uitdrukkingsvormen die er vandaag bestaat, lijkt niet veel anders te zijn dan een intermezzo, een tussenstap in de eeuwige terugkeer van de natuurlijke cycli die aansluiten bij de heidense tradities… Van culturele uitwisselingen lijkt er niet veel sprake te zijn, er is geen evolutie naar het leren van andere culturen, veeleer een teruggrijpen op heidense tradities. De Werkgroep Traditie versterkt dan ook in grote mate mee het etnocentrisme in Vlaanderen en het Waasland.

In Lokeren wordt er gevreesd voor een doorbreking van het cordon sanitaire, volgend jaar zou de Wase provinciestad weleens voor de verrassing kunnen zorgen. Dan zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Filip Anthuenis, burgemeester van Lokeren gaat soms een biertje drinken met VB’ers en is er duidelijk voor gewonnen om het cordon sanitaire te doorbreken.­ De VLD en het VB zijn wellicht goed voor ongeveer de helft van de stemmen in Lokeren. Een eerste VB-burgemeester, is het voor volgend jaar?

Antoine Denert

In het Waasland zijn er in elk geval ook andere burgemeesters die samen met het VB besturen in 2006 niet uitsluiten. Antoine Denert, burgemeester van Kruibeke is rechts-liberaal en heeft goede banden met extreem-rechts, maar het is niet zeker dat er mensen van het VB gaan meedoen aan de gemeenteraadsverkiezingen in Kruibeke. Sterker staat de partij in Beveren, waar het munt probeert te slaan uit de lokale onvrede rond de havenuitbreiding in Doel, en de daaraan gekoppelde nakende verdwijning van het Beverse dorp. Eén van de bekendere extreem-rechtse politici is Bruno Stevenheydens, die in de gemeenteraad van Beveren zetelt voor het Vlaams Belang.

Stevenheydens heeft de voordelen van misleidende internetpropaganda volop begrepen. Hij heeft zelfs een eigen site, waarop hij een aantal autobiografische teksten heeft gezet. “Als 16-jarige werd ik lid van het NJSV en vervolgens de Vrijbuiter. De jaarlijkse Zangfeesten en Ijzerbedevaarten waren activiteiten die niet mochten gemist worden. Tijdens mijn studentenperiode in Antwerpen maakte ik deel uit van het praesidium van de N.S.V.” Stevenheydens is criminoloog en gespecialiseerd in jeugddelinquentie. Zijn partij Vlaams Belang is goed voor ongeveer een derde van de stemmen in Beveren en daarmee er ook de grootste fractie.

2620 mensen uit Beveren gaven onlangs bij de verkiezingen een voorkeurstem aan Stevenheydens, hij is er dus een zwaargewicht. Niemand doet het er beter als het over voorkeurstemmen gaat. Stevenheydens beweert ook dat het Vlaams Blok in het polderdorpje Doel meer dan 60% van de stemmen gehaald heeft. “Het boek ‘De Bres’ van Chris De Stoop kan ik eenieder die geïnteresseerd is in de problematiek van Doel en de polder aanraden.”, schrijft de VB’er.

Stevenheydens houdt ook van andere boeken en strips, doet zich zelfs voor als een ogenschijnlijke cultuurminnaar. “De Canvasreeks ‘Terug naar Oosterdonk’ over de verdwenen polderdorpen op de Schelderechteroever heb ik op een bijzondere manier mogen meemaken. In mijn onmiddellijke omgeving werd er verschillende malen gefilmd, de moeite dus om als figurant enkele opnamen van zeer dichtbij te volgen!” Stevenheydens is bovendien een grote folkliefhebber (met moderne muziek heeft hij het naar eigen zeggen moeilijker) en rugzakreiziger doorheen woeste landschappen.

In Doel vinden er er elk jaar Scheldewijdingsfeesten plaats, waar geitenwollensokkendragers en folkliefhebbers volop kunnen genieten van de traditioneel aandoenende cultuurminnerij uit Vlaanderen, Europa en sinds kort ook andere werelddelen. Klompenmaken, bezembinden, barbier, siermeden, houtdraaien, pyrografie, mandenvlechten, glaskunst,… Men leert het er kennen aan standjes tijdens de Scheldewijding, een oud katholiek ritueel in Doel, dat al meer dan dertig jaar plaatsvindt. De laatste jaren wordt het vooral gepromoot door Doel 2020, een binnen linkse kringen meer dan omstreden groep die de verdwijning van het polderdorp door de havenuitbreiding wil tegengaan.

“We willen met deze feesten de weerbaarheid van de bewoners illustreren die ondanks alles nog geloven in dit dorp”, zeiden organisatoren Rudi Van Buel en Jan Creve een paar jaar geleden, toen enkele duizenden mensen de Doelse Feesten bezochten, een feest dat samenviel met de Scheldewijding. De Scheldewijding is in oorsprong een godsdienstig gebeuren en de feesten zijn daar omheen gegroeid. De feesten beginnen met een eucharistieviering, waarin naast het gebed voor de overledenen van zee en stroom gevraagd wordt de Schelde en de parochie Doel te zegenen en haar bevolking te beschermen. Of er voor dit ritueel nog veel toekomst is valt te betwijfelen. Het dorp Doel staat niet alleen op het punt te verdwijnen. Er komen ook steeds meer krakers en alternativo’s wonen, terwijl er van de oorspronkelijke bevolking nog weinig overblijven.

Veranderingen in het Waasland worden door figuren als Bruno Stevenheydens, Koenraad Logghe en Frieda Foubert, maar ook door rechts-liberale burgemeesters, volop afgeremd. De stempel die de rechterzijde op het Waasland zet is groot, en de druk die er vanuit extreem-rechts op politici gezet wordt ook. Rechtse politici leven immers voor weinig anders dan voor populariteit die uit verkiezingsuitslagen naar voren komt. Vanuit centrum-linkse kringen volgen er zwakke responsen, met behulp van Bekende Vlamingen als de bij Spirit actieve politica Nelly Maes en de topwielrenner Tom Steels probeert men het tij te keren. Jammer genoeg is het denken van die BV’s eveneens besmet door regionalisme en nationalisme. De grote druk die er vanuit het VB komt doet centrum-linkse mensen teruggrijpen op korte-termijn-denken, regionalistisch populisme en electoraal winstbejag.

Ook groen-rechtse ‘intellectuelen’ als Guy de Maertelaere proberen volop invloed te krijgen in het Waasland. Naast de al eerder vernoemde Eriksson en Richard Hunt, die terug wil naar primitieve traditionele gemeenschappen, vormt ook Julius Evola een belangrijke inspiratiebron in deze kringen. Evola was kortstondig lid van de futuristische beweging maar schakelde daarna over op uitgesproken traditionalistische esoterie. Alle gepoch ten spijt heeft men in groen-rechtse kringen helemaal geen degelijk analytisch vermogen als het over de milieucrisis gaat, laat staan veel afdoende oplossingen ervoor, het gedweep met filosofen van allerlei slag moet volop een gebrek aan volwassenheid en ook impotentie op erotisch vlak verbergen.

Het heteropatriarchale denken is in deze kringen volop aanwezig. De openheid die er momenteel in Vlaanderen ontstaat naar holebigroepen, ervaringsgericht onderwijs en genderbending, of andere sociale rolveranderingen, toe, is hen een doorn in het oog. Dat veel feministes hen nog niet volop bestrijden is wellicht slechts een kwestie van tijd. De milieucrisis zal steeds meer rechtse figuren voortbrengen die de band tussen de milieucrisis en de samenlevingshiërarchiën op het vlak van klasse, huidskleur, geslacht, partnervoorkeur en leeftijd trachten te verdoezelen.

De milieucrisis is echter niet slechts het gevolg van overbevolking en levensbeschouwelijke overtuigingen, ze komt vooral voort uit het ontstaan van allerlei samenlevingsproblemen die op hun beurt voortkomen uit overheersingsgedrag. De kapitalistische industrialisering heeft zich kunnen opdringen dankzij deze samenlevingsproblemen, veel meer dan dat ze zich geënt heeft op een technologische revolutie, het christelijk denken of de wetenschap. De toekomst voor het Waasland is open, dat geldt ook voor de wereld in haar geheel.

Of het Land van Waas werkelijk nieuwe wegen kan betreden in de toekomst zal veel afhangen van de mate waarin mensen die er veel verblijven of wonen (of net buiten de grenzen ervan) de idee bewaren of krijgen dat een werkelijk andere, betere wereld mogelijk is. En of ze volop in die wereld willen staan of zich daarentegen volop willen terugplooien op de geborgenheid van de eigen familie en de mythe van de eigen natie. Het projecteren van een eigen gemeenschap op traditionele samenlevingsverbanden, waarbij identificatie met Vlaamse genderperformanties volop aanwezig is, kan en moet in elk geval doorbroken worden. Gender is immers niet veel meer dan dat, performantie, doelgericht handelen en denken. Maar als gender veel verband houdt met natievorming, tradities, religie en patriarchaat wordt het extra moeilijk om er komaf mee te maken. Dat zal men in het Waasland nog meermaals ondervinden.

%d bloggers liken dit: